Verhalen

Onderstaand een kleine selectie uit gepubliceerde verhalen.

 

De stad uit 

Gepubliceerd in ‘Geef mij maar Amsterdam’, Buijten & Schipperheijn Motief Amsterdam, 2008 met een voorwoord van burgemeester Job Cohen.

De trein in. De stad uit. Het land door.
De reis duurde een halve dag. Volgens Kira was het anderhalf uur. Ze hadden onder de fruitbomen gelegen, in het hoge gras. Ze had gevraagd of hij bleef slapen. Hij had nog voor het avondeten de trein teruggenomen. Kira had hem naar het station gebracht. Er was niemand die instapte. Ook niemand die uitstapte. ‘Ach’, had ze gezegd, ‘jullie vergeten dat het middelpunt van de vliedende kracht geheel onbekend is zolang je er zelf omheen draait. Pas als je je ervan losmaakt zie je wat het is. En dat is van veel minder belang dan je aanvankelijk dacht.’

Hij had zichzelf gezien. Als draaiend wasgoed om een leegte. Net zolang totdat er geen spatje vocht meer uit kwam. Hij lachte.

‘Stilte’, had Kira gefluisterd tegen zijn lach, ‘het is de stilte.’
Hij had willen schreeuwen in die stomme slome stilte. Schreeuwen dat de wereld zich niet afspeelde tussen appels, frambozen en pompoenen. Dat ze zich moest manifesteren, zichzelf moest tonen. Hij fluisterde haar slechts toe dat ze daar moest zijn waar het gebeurde.
‘Wat gebeurt, Damien?’ had zij gevraagd.

Handen om het koude bierglas. Het schuim wegzuigen. In de mond houden, heen en weer bewegen en doorslikken. In gedachten volgt hij het door de slokdarm naar de maag waar het zich bij het andere gele vocht voegt. Over een uurtje de schrijversborrel. Hij staart naar buiten.

Een tram dendert voorbij. Mensen staren zwijgend voor zich uit. Een kind huilt. Op straat loopt een oude vrouw met een hond gekleed in een jurkje. Voetje voor voetje schuifelen ze over de gracht. Een scooter met drie uitgelaten meiden toetert luid. Op de hoek zit een zwerver. Al urenlang in dezelfde houding. Voorovergebogen met het hoofd op de knieën. Twee vrouwen met hoofddoek buigen zich over hem heen. De zwerver weert ze af. Een winkelier stapt het trottoir op, sjort hem omhoog en jaagt hem weg. Mank en rood aangelopen strompelt het uitschot naar de overkant van de straat waar een man en vrouw elkaar ongegeneerd betasten.

De stad smijt de werkelijkheid voor je voeten. Een werkelijkheid die je niet mag ontkennen, niet kunt ontkennen. Hij had het Kira gezegd toen ze bruingebrand op een druk terras naast hem zat.

‘Struikelen’, beweerde ze met klem, ‘je struikelt over de stadse werkelijkheid. En door het struikelen vergeet je te lopen. Je verleert de kunst van het lopen. Nog even en je valt.’

Hij had haar hardop uitgelachen. Ze had hem zachtjes op de wang gekust. Was opgestaan en gegaan. Kira liep. Haar hoofd omhoog, rechte rug, met trefzekere benen. Hij springt liever dan dat hij valt. Maar voor de val kies je niet, die overkomt je. Dat wist hij ook. Het landschap flitste op de terugreis even traag voorbij als op de heenreis. Toch had ze gelijk, al na anderhalf uur rezen de hoge gebouwen van de stad uit de groene vlakte omhoog. Een grijs paradijs. Hij likt het bier van zijn lippen, neemt nog een slok en veegt zijn handen droog aan zijn spijkerbroek. Zijn handpalmen zweten. Dat doen ze vaker. Soms denkt hij dat het door Kira komt. Hij draait zijn vingers in elkaar. Schrijvershanden. De perfecte schrijvershanden. Langgerekt, elegant – aristocratisch bijna – gevijlde nagels. Geen handen die zich bevuilen aan machines, gereedschap of rotte appels. Hij steekt een sigaret op. Er loopt een mooie dame voorbij. Ze draagt vijf papieren tassen met modieuze opschriften. Ongetwijfeld een lading schoenen. Haar lippen rood gestift, haar hakken hoog, slanke witte benen en een dansende jurk om haar taille, meedeinende volle borsten. Hij blaast de rook tegen de ramen.

Vanmorgen bij het ontwaken had hij zich afgevraagd of het toch niet beter was geweest als hij bij haar was gebleven. Dan had hij aan haar keukentafel plaatsgenomen en gekeken hoe ze met een slaperig hoofd koffie in een grote mok voor hem had neergezet. Hij had de vogels kunnen horen fluiten en haar na het eten van verse eieren met gebakken brood tussen het groene land en de wolkenlucht kunnen omhelzen. Nu was hij na wat oude droge boterhammen, op zijn fiets gestapt. De stad in, voor zijn gebruikelijke cappuccino. Hij had haar woorden, die hem lastig vielen, weggetrapt.

‘Jij? Jij hangt rond in de kroeg, staart naar wat vrouwen, loopt af en toe naar het park en dat is het. Neem de metro, ga midden in de nacht naar de buitenwijken of reis af naar het land achter de stad. Het is een illusie, een illusie dat de wereld ergens op een aangegeven plek zou bestaan. Je moet de wereld niet zoeken, je moet eraan voorbijgaan. Zodat je hem kunt zien.’

Hij giet het resterende bier in een keer achterover, staat op, drukt zijn half opgerookte sigaret uit, betaalt bij het meisje achter de bar, valt bijna, herstelt zich – niet vallen, altijd springen – en gaat naar buiten. Hij had Kira niet weg willen geven aan de wind en de lucht. Niet dat hun liefde zo meeslepend was. Eigenlijk stelde het zo op het eerste gezicht niet veel voor. Een platonische liefde. Maar niets was dan ook geveinsd, gespeeld of nep. Ontstaan op een middag in het park. Ze lag in het gras, hij viel over haar benen. Excuseerde zichzelf en bood haar wat te drinken aan. Ze ging met hem mee naar huis. Een cliché. Toch was Kira in geen enkel opzicht cliché. Ze liet hem zien waar de verhalen zich verscholen. Niet in een schreeuwende grootse menigte, niet in de president op campagnetocht of een beroemde artiest, nee, het stilzwijgen van een klein kind dat luistert naar zijn vader of de gezichtsuitdrukking van zomaar een man die een schoenenzaak binnengaat. Zo ogenschijnlijk gewoon, maar achter het gewone schuilt de absurditeit. Net als hun liefde, zo eenvoudig, maar zo bizar. De zon prikt in zijn ogen. Hij werpt een blik op zijn mobieltje. Kwart voor vier. Zij zit nu onder haar boom, of loopt langs de oever van de rivier.

‘Zal ik ook springen,’ had hij haar voor de grap gevraagd toen ze een paar weken geleden voor een nachtje over was en ze samen door het Vondelpark slenterden, ‘springen net als Japi, de uitvreter?’
‘Japi was van een andere orde,’ had ze gezegd zonder hem aan te kijken. ‘Japi sprong niet, hij stapte. Jij zou springen. Uit angst. Uit angst voor de afgang.’ Hij was kwaad het park uitgebeend.

Ze had gelijk.

De afgang vóór zijn, voordat de vliedende kracht toch afbuigt en hem eruit smijt en er niets anders overblijft dan de periferie. Dat is wat hij doet, waar zijn leven uit bestaat. Niet naar de hoogte streven maar slechts de afgang voorkomen.

De boten razen over de Keizersgracht. Het zomert. Jongens in blote basten die meisjes kussen, jongens die jongens zoenen – een oude heer kijkt verlekkerd toe; een van de jongens buigt zijn blote lijf om hem zijn billen te tonen; de oude heer fluit onbeschaamd op zijn vingers. Moeders en vaders op bakfietsen volgeladen met gillende kinderen, een bakker die zijn ramen zeemt. Hij ziet het, maar hij neemt niet echt waar. Het glijdt aan hem voorbij. Hij slaat zijn tas over de schouder. Zodra je blind wordt voor hetgeen zich aan je voordoet, moet je zorgen dat er iemand is die je opensnijdt. Desnoods met een scherp mesje. Met de punt exact in je pupil. Werd hij blind voor de werkelijkheid? Zijn vader had het hem verboden. Ongebreidelde verlangens, vrouwen die hun plaats niet meer kennen, losgeslagen kinderen: Amsterdam is de hel met de duivel aan het roer. Hij was gegaan zonder afscheid te nemen. Hij had zich grondig tegoed gedaan aan alles wat God verboden had.

Ieder jaar bezocht hij zijn moeder. Ieder jaar hetzelfde. De deur gaat op een kier, ze kijkt of de buren het niet zien en dan laat ze hem gehaast binnen. Pas in de gang durft ze hem aan te kijken.

Jongen toch.

Een keer had ze, toen hij sliep, de scheuren van zijn spijkerbroek dichtgenaaid. Hij had in haar bijzijn de stiksels weer losgesneden. Met het vleesmes, dat hij eerst zoals zijn vader dat altijd deed, aan het messenblok had geslepen. Hier en daar had hij zijn huid tot bloedens toe opengehaald. Zijn moeder had zachtjes gehuild. Ze was haastig op zoek gegaan naar pleisters, maar hij was weg voordat ze hem had kunnen verbinden.

Vader sprak hij zelden. Hij bleef nors op afstand. Hij bezocht hem nooit en vroeg ook nooit. Op een dag viel hij dood neer. Aan de andere kant van de gracht loopt een meisje van een jaar of vijf aan de hand van haar moeder. Ze draagt lakschoentjes met een hakje en een gebloemd roze jurkje. Ze blikt volleerd naar de etalages van de winkels. Ze gaan een kledingzaak binnen, het meisje neemt plaats in een fauteuil en kijkt oplettend toe hoe haar moeder sensuele avondjurken past. Het meisje bengelt in een rustig ritme met haar benen heen en weer. Met haar wijsvinger draait ze krulletjes in haar blonde haren. Ze heeft keurig gevijlde nagels. Nog net niet gelakt. Het zouden zo schrijvershanden kunnen zijn. Hij negeert zijn opwelling om naast het kind plaats te nemen en haar te vertellen van meisjes die slakken van hun huisjes ontdoen, wormen aan de kippen voeren, rotte appels rapen of juist stiekem rijpe appels plukken om ze in het hoge gras te eten. Haar in te fluisteren hoe je in slaap kunt vallen bij het ruizen van de wind, hoe je in de zomer tegelijkertijd met de zon ontwaakt omdat alles is ontploft en je die ontploffing van het groen wilt zien, ruiken, voelen, hoe de groene bomen je toewuiven, de bloemen je verleiden hen te plukken. Haar toe te fluisteren dat lammetjes werkelijk in de wei lopen, melk van koeien komt, aardbeien op de grond groeien en walnoten in een boom. En haar dan te vragen welke wereld er meer toe doet, die van haar of die van de onbekende meisjes in het groen.

Misschien, misschien verloor hij de duivel van zijn vader uit het oog. En, vroeg hij zich af, was dat dan goed of fout?

Hij is dronken. Te dronken. Hij moet naar huis. Zich in bed werpen en de rest van de dag met gesloten gordijnen zien door te komen. Maar de borrel. Eerst nog de borrel.  Hij steekt een sigaret op. De stad zweeg, had Kira gezegd, er gebeurde van alles en tegelijkertijd niets. Ze zocht naar woorden, nieuwe woorden. Hij had haar pogen tegen te houden, de stad is het koninkrijk op aarde!, totdat hij begreep dat hij er niet toe deed. Ze ging.

Hij had gedacht haar simpel en doeltreffend uit hoofd en hart te ‘deleten’. Het tegenovergestelde gebeurde. Ze groeide. Eerst was ze een klein onderdeeltje dat zich vrolijk dartelend in zijn hoofd voortbewoog. Het was gemakkelijk het even op te bergen of er geen aandacht aan te besteden. Totdat het onderdeeltje Kira besloot zich als een eigenzinnige pac-man te gedragen. Ze doorkruiste zijn hoofd van links naar rechts, van onder tot boven, diagonaal en weer terug. En overal waar ze kwam, at ze hem hapje voor hapje op. Soms was het alsof hij niet twee maar vier paar ogen had die de stad bekeken, niet twee oren maar vier die alles hoorden, niet één mond maar twee waarmee hij praatte. En als hij pac-man Kira voor even met veel moeite tot stilstand had gebracht, liet de versie van vlees en bloed van zich horen. Zelfs gisterenavond nog, nadat hij de modder van zijn schoenen had gekrabd en zich achter zijn werktafel had geïnstalleerd.

De telefoon. Hij zet de wijnfles naast zijn computer, legt zijn sigaret neer en neemt op. Het is Kira. Ze is uitgelaten. Ze gilt bijna. ‘Damien, wanneer kom je weer? De appels hangen nog aan de bomen, hoor! Rood en rijp. Ik at er wel vijf vandaag. Het gras blijft ook nog hoog. En anderhalf uur duurde die treinreis, hé? Van Gogh, weet je, Van Gogh trachtte de boom voor zijn huis op het land te schilderen. Zou hij hebben geweten dat er nu nog mensen naar zijn werk kijken? Zich en masse voor zijn zonnebloemen verdringen? Zou hij die gekte hebben weten te waarderen of zou hij liever hebben gezien dat zijn zonnebloemen ergens hingen in een huis, zomaar in het land en dat er dan een vrouw was die iedere dag bij het ontwaken de zonnebloemen zou zien en iedere dag weer iets anders zou zien in de bloemen, keer op keer een andere penseelstreek zou ontdekken en de ene keer de bloemen zou aanbidden en de andere keer vervloeken, alsof de bloemen een spiegeling zouden worden van haar ziel? Zou hij daarvan gedroomd hebben toen hij zich ergens in het grasland een kogel door de borst joeg? Dat vraag ik me af. Dat vraag ik mij nu al de hele dag af. Een nutteloze gedachte?’

Hij probeert te antwoorden. Er komt geen geluid uit zijn keel. Hij ziet hoe zijn sigaret opbrandt.

‘Ik weet het niet. Ik weet het niet. Het brengt mij vast ergens van zonnebloemen naar een mooie zin. Een mooie zin in de nacht. De nacht, Damien, de nacht is zo donker, de sterren omlijsten mij, ik kan ze bijna rapen. Gisterennacht ben ik op blote voeten naar de rivier gelopen. Ben erin gaan staan. Heb het water over mijn benen geworpen. De ganzen vlogen weg. Mijn handen waren zwart van de modder. Zo zwart als koffie en de nacht. Ruimte is verslavend, Damien. Hoe meer je ervan hebt, hoe meer je wilt. Daar waar ik ooit genoegen nam met een kamertje van negen vierkante meter verlang ik nu naar nog meer land, nog meer uitgestrektheid waarin ik mij herbergen kan. Ik weet nu waarom het gaat, Damien. Het gaat erom dat je grenzen verlegt, andere werelden zichtbaar maakt of juist toedekt, troost biedt, liefde toont, geweld ontbloot, paradoxen creëert en zo alles wat zich aan je voordoet van betekenis voorziet en in die betekenis gelooft. Net als in God eigenlijk, maar dan anders. Want het is nooit absoluut, alles wordt altijd weer anders. Je gevonden betekenis heft zich ieder willekeurig moment op voor een andere. O, de kippen komen binnen! Ze hebben honger. Ik bel je later! Daag!’

Ze hangt op.

Hij legt zijn mobieltje neer. Naast de computer die een flikkerende cursor laat zien.

Hij gaat in bed liggen en telt de langskomende koplamplichten op zijn plafond.

Het bier gutst door zijn lijf. Hij moet eerst wat eten voordat hij zich op de borrel vertoont. Op de hoek bij de Herenstraat zit een voortreffelijke Italiaanse traiteur. Hij koopt een panini met mozzarella, tomaat en basilicum en zakt neer op een bankje aan de gracht. Hij had zelf ook schuld aan de pac-man Kira in zijn hoofd. Hij las iedere mail, iedere brief, iedere postkaart. En dan niet één, nee wel drieëntwintig keer. Hij begreep zelf niet waarom. Misschien was er iets in hem dat hem ertoe dwong. Zoals een glas bier je hand vanzelf doet strekken.

‘Damien, ik schrijf je, het is al laat. De uil zit al op het huis te roepen. De vleermuis zal zo ook wel komen. Ik zie me zitten in jouw café. Niets zeggen en tegelijkertijd zoveel pogen te zijn. Wijn drinken omdat het hoort. Een schrijver die niet dronken kan worden is geen schrijver. Ik dacht dat het zo was. Ik weet nu beter. Althans ik meen nu beter te weten. Het kan zijn dat het beter weten straks toch weer een onwetendheid wordt. Ik dacht – ja, ik geef het eerlijk toe want ik weet ook dat jij het dacht – heel even dat de verhalen hier zouden opdrogen. Maar weet je wat het is? Het is vreemd, ik begrijp het zelf ook nog niet, maar het is alsof mijn wereld hier niet kleiner maar juist groter wordt. Alsof ik door mijn terugtrekking plaatsmaak voor een veel grotere wereld. Is dat niet vreemd? Ooit een zaadje zien uitgroeien tot een boom?’

Een grotere wereld zonder hem. Hoe was het mogelijk. Hij rangschikt de basilicumblaadjes op zijn tomaat. Soms nam hij alle brieven en uitgeprinte e-mail mee naar bed.

‘Damien, hier ben ik weer. Het maakt niet eens uit of ik me kleed. Ook niet als ik naar buiten ga. Alleen de bomen en wat rondvliegende vogels nemen mij waar. En dat terwijl ik mij in de stad zelfs in huis bekeken voelde. Iedere seconde was daar de ander. En nu is er niets. Leegte. Mijn stadse zelf verdampt. Aanvankelijk deed ik verwoede pogingen haar te behouden, het leek alsof ik door haar te laten gaan ook mijzelf verloor. Nu weet ik dat het anders is. Er komt iets voor terug. Een zelf dat zich niet alleen tot een buitenwereld maar ook tot een binnenwereld verhoudt. En dat die binnenwereld in mij net zo dynamisch, veranderlijk en grillig is als de wereld daarbuiten dat wist ik niet. Het zelf is een grenzeloze aangelegenheid dat zich in ontelbare mogelijkheden uiteen kan zetten. Zodra de stad claimt het werkelijke leven of de wereld in pacht te hebben, is er iets mis. Ooit een duik genomen vroeg in de ochtend in de oever van een rivier die het water koel om je heen sluit? Zonder stad geen land. Zonder het land geen stad. Geen van beide heeft het werkelijke leven of de waarachtige wereld in pacht. Het gaat erom haar steeds te zoeken. Te zoeken dan eens in het een, dan weer in het ander. Zonder de ander bestaat er niemand, maar laat je nooit door de ander tot iemand maken. Je in een bruin café ophouden en het hebben over de oplage van je nieuwe roman, de laatste recensies, de nog komende optredens. Dat is niets. Dat is helemaal niets. Dat heeft niets met jou te maken en de reden waarom je schrijft.’

Hij werpt het restant van het broodje in de gracht. Het drijft even en dan zinkt het. Vijftien minuten over vier. Hij moet gaan. Nooit te vroeg zijn, ook niet op tijd – dat doen alleen de schrijvers die niets willen missen – maar toch ook weer niet te laat, een zichzelf respecterende schrijver weet wanneer hij moet arriveren voor het middelpunt. Hij heeft geprobeerd met Kira te breken. Hij heeft tegen haar geschreeuwd, een maand lang geen enkele brief geopend, geen enkele e-mail gelezen, geen enkel telefoontje beantwoord. Het lukte niet. Ze won het keer op keer. Haar woorden drongen zich aan hem op, precies zoals je je ook opeens kunt realiseren dat je op dezelfde wijze als je vader je grijzer wordende haren kamt en je afvraagt waar die beweging opeens vandaan komt.

‘Damien? De peren. En straks de frambozen. Zo zoet. Zo heerlijk zoet. Stilte. In de stilte ontsta je vanzelf, los van de ander.’

Bestond hij zonder haar? Was hij nog iemand zonder haar woorden? Hij had gehoopt dat een bezoek aan haar land haar woorden terug zou dringen. Alsof ze bij het zien van hem, haar woorden weer op zou eten. Het tegendeel was waar. Ze bleef waar ze was. In zijn hoofd.

‘Ik loop graag in de ochtend naar buiten. Ik schrijf alles op wat me invalt. Nerven in water. Langpootmug op vlinderstruik. Kinderhand in kikkerdril. Wind blaast wimpers omhoog. Vogel volgt. En dan straks. Schietbaan naar heelal. En als ik schrijf, valt de wereld met mij samen. Niets anders dan de wereld die ik dan voor even tastbaar maak. Zonder schrijven raak ik niet aan de wereld. En jij? Nog aan het zuipen en roken?’

Misschien was hij verslaafd aan haar woorden. Omdat ze hem een uitvlucht boden. Een uitvlucht uit hemzelf.

‘O ja, Damien, overal waar mensen zijn, huist God. Zo is het ook met de duivel. De een bestaat niet zonder de ander. Net als de stad niet zonder het land.’

Hij lachte. Een vlucht naar de duivel die er niet bleek te zijn. Waar was die goddelijke hemel dan? In hem soms?

Dronken. Hij was dronken.

‘Nog een ding, Damien. De rivier stroomt hier nog altijd naar het westen en de mensen zijn ook nog altijd blijven tobben. Ik wacht op je met appels en frambozen. En een gedicht. Ik beloof je een gedicht. Damien? Kom je?’

Hij staat op, wankelt even. Niet vallen, als er dan gevallen moet worden dan toch nog altijd springen.

God en de duivel huizen overal en de klok van de Westerkerk slaat half vijf. Hij denkt aan rijpe frambozen, vers geplukte aardbeien en de geur van stront op een akker.

Hij knikt naar een toevallige passant, iemand die hem meent te herkennen, zoals dat wel vaker gebeurt met zijn lezers, maar die hij snel afwimpelt. Hij rent haastig over de grachten, stoot hier en daar tegen winkelende meisjes, hangende jongeren, schuifelende ouderen en marcherende zakenmannen.

‘Struikelen, je struikelt over de stadse werkelijkheid. En door het struikelen vergeet je te lopen. Je verleert de kunst van het lopen. Nog even en je valt.’

Hij komt op het goede moment binnen. Alle hoofden draaien zijn kant op.

Hij is gezien.

Hij steekt een sigaret op en bestelt een biertje. Zijn handpalmen zweten. Hij drinkt het glas in een keer leeg. Niet vallen, altijd springen. De afgang voor zijn. Als hij het glas terugzet op de bar en om nog een biertje vraagt, ziet hij haar staan. Kira staat aan de andere kant van de bar.

 

…………………………………………………………………………………………………………………

Kippenveren

 Gepubliceerd in Raster, nr.108  2004

Een brave burger eet zijn eten en daarmee basta!
Robert Walser

Het ligt daar en doet niets. Het is aan mij. Ik heb mijn handen losjes op tafel gelegd. De handpalmen richting mijn bord gedraaid. De vingers in een licht ontspannen houding, alsof ik in een restaurant zit en de ober net een bord voor me heeft neergezet en mij met een hoofdknik weer alleen heeft gelaten. Mijn rug is recht. Mijn hoofd lichtjes naar beneden gebogen zodat ik het kan zien liggen. Het ligt stil. Volkomen stil. Het is aan mij. Mijn grootmoeder liep altijd rustig en beheerst de kippenren in. Ze wist altijd al welke kip het werd. De keuze was de avond daarvoor bij het voeren gemaakt. Het moest een goede kip zijn. Niet te jong, niet te oud, geen legkip en overal een beetje rond. Bij het voeren aaide ze alle kippen over de veren. In die aai voelde zij het vlees aan de botten en besloot ze welke kip de volgende ochtend uit de ren gehaald zou worden. Als ze de volgende morgen de kip van haar keuze zag, riep ze haar zachtjes met kirrende geluiden. De kip liep liefelijk waggelend in haar geopende armen. Mijn grootmoeder tilde haar met beide armen op en nam haar mee. Vlak voor ze de bijl op de nek liet neerkomen, streelde ze liefkozend de veren. De kip pikte haar niets vermoedend zachtjes in de hand.
Mijn kip heeft de hele dag ingepakt op het keukenblad gelegen. Pas aan het einde van de dag durfde ik de tas voorzichtig te openen. Ik heb zachtjes aan de koude klauwtjes getrokken totdat ik de kip, hangend met zijn kop naar beneden, in mijn rechterhand had. Koude kip. Mijn grootmoeder had warme kip. Ook als de kop eraf was, bleef de kip warm. Ze hield de kop altijd in haar handen, sloot de kleine kraaloogjes met haar wijsvinger en liet het bloed uit de nek weglopen in een emaillen van te voren schoongemaakte kom. Als het bloeden gestopt was, nam ze kop en kip mee naar binnen. Daar plukte ze de kip kaal. Veer voor veer. Koude naakte kip. Die moed had ik wel. De klauwen stijf en koud in mijn hand. Nog even wachten. Ik legde haar, de kop bungelde heen en weer, op het aanrecht en ging op een stoel zitten. Het beest staarde me met open snavel in volle naaktheid aan.
‘Houd jij de kop even vast?’ vraagt ze.
Ik deins achteruit.
‘Hier is ze,’ mijn grootmoeder steekt haar hand naar voren met daarin de kippenkop. De snavel staat wijd open. ‘Mooi kopje toch? Toe, houd maar vast. Ze pikt niet meer, ’ en ze streelt met haar wijsvinger over het kopje.
Ik doe nog een pas achteruit.
‘Durf je niet?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Het was zo’n lief kipje. Ze draaide altijd even om mijn benen als ik het voer in de bak schudde,’ ze trekt haar arm terug, sluit de oogjes en staat op. Daar gaat ze. Schuur uit, keuken in. Kop en kip in haar warme armen. In de avond stopt ze me onder de wol, streelt liefkozend mijn haren, kust mijn voorhoofd en fluistert in mijn oor: ‘Morgen, kippensoep.’ De volgende dag eet ik niets. Ik zie alleen maar ontelbare kippenkoppen in de soep drijven die allen hun snavels op en neer laten gaan zoekend naar haar warme handen.
Kale kip op het aanrecht. Zwarte kraaloogjes die mij afwachtend aanstaarden. De snavel open. De klauwen stijf. Niet te lang wachten. Ik stond op, spoelde mijn handen onder stromend water, sloot de oogjes en legde de kip op de snijplank. Daar hakte ik met een groot keukenmes de kop eraf. Het bloed stroomde niet meer. Ik nam kip en kop in mijn handen. Het was koud en nat. Grote pan met water. Kippenkop erin. Dan het lijf met het witte kippenvel. Ik aarzelde nog even maar sneed toch de buik open en haalde de ingewanden eruit. Ik bestrooide haar met wat zout en peper en nam de braadpan uit de kast. Boter in de pan. Eerst nog de klauwtjes eraf. Die kunnen bij de kop.
‘Het is soep van kop en klauwtjes. Dat lust je wel.’
Ik schud mijn hoofd.
‘Ach toe, probeer een beetje. Een klein beetje soep. De kip pikt je niet,’ en ze lacht zachtjes.
Ik schud opnieuw mijn hoofd.
‘Toe maar, een klein beetje om te proeven,’ en ze zweeft met de soeplepel voor mijn neus.
Ik houd mijn lippen stijf op elkaar en schud mijn hoofd.
Ze lacht nogmaals en zet dan haar eigen bord bij de pan.
‘Ik neem wel.’
Mijn grootmoeder schept haar hele bord vol met heldere kippenbouillon. Ze slurpt de soep smaakvol naar binnen. Ik kijk toe en zie hoe bij haar lippen spartelende kippenpootjes vanuit haar mond naar buiten willen rennen, terug naar de kippenren, terug naar de kip met kop en veren.
De soep op het vuur. De kip in de braadpan. Ik op de keukenstoel.
Ik was tien jaar toen ik een donzen kussen kreeg van mijn grootmoeder. Een groot donzen kussen in een rode hoes.
‘Van de kippen die je niet eet,’ zei ze met een glimlach en kuste mijn wang.
De volgende dag sneed ik het kussen met mijn zakmes open. Achter het huis bij de kippenren gooide ik alle veren de lucht in. Ze dwarrelden om me heen en lieten een bruinwitte deken achter. Ik heb de veren net zo lang in de lucht laten vliegen totdat ze niet meer tot een berg dons terug te herleiden waren en je zou kunnen denken dat een kat twee kippen gevangen had. Het ligt stil. Het verroert zich niet. Het is aan mij. Bruin glanzend kippenvel om het witte kippenvlees. Zij zou als ze tegenover me gezeten had, glimlachend naar me hebben geknikt en hebben gezegd: ‘Toe probeer het dan. Deze kip is echt de moeite waard. Hij pikte me nog even in de hand voordat ik zijn kop afsneed.’
Mes en vork ter hand nemen. Lippen alvast een beetje openen.
Gevulde kip met druiven, kipfilet met boontjes, kippenborst met tomaten, gestoofde kip in witte wijn, kippenpootjes gemarineerd met thijm, kip op brood.. iedere avond bij het naar bed gaan kreeg ik te horen wat mij de volgende dag te wachten stond. ‘Er is hier nog nooit iemand de deur uit gegaan zonder kippenvlees,’ ze lachte maar dwong me met haar ogen, zachte ogen die mij verlangend aankeken, die iedere keer weer hoopten dat ik mes en vork op zou pakken en haar kip zou snijden, een aai over mijn haren, nachtkus op mijn voorhoofd, en dan fluisterend in mijn oor:
‘Morgen, toch?’
Een varken eet ik met smaak op. Een konijn kluif ik kaal van de botjes. Als het moet slacht ik zelfs een konijn. Zijn achterpoten in de lucht en dan met vlakke hand in de nek een ferme klap uitdelen. Zijn nek breekt en het konijn kan, alsof het in een diepe slaap verzonken is, gevild worden. Maar als ze mij verteld had dat ik later een dode kip zou kopen en haar zou bereiden zoals zij het voorschrijft zou ik haar in haar gezicht hebben uitgelachen. Nu is zij het die mij uitlacht. Als de doden tenminste de levenden kunnen zien. Maar ook al heb ik de kip bereid, ik heb haar nog niet in mijn mond gebracht.
Ik als toeschouwer aan tafel. Ik kijk toe hoe zij haar kip eet. Hoe zij het bruine vel doorsnijdt, het witte vlees ontbloot en zowel vel als vlees aan de vork rijgt. ‘Waarom eet je haar in godsnaam niet?’ sist ze me eenmaal toe als ik opnieuw met stijf op elkaar geperste lippen aan tafel zit en zij met haar vork voor mijn mond zweeft. Ik haal zwijgend mijn schouders op.
Het ligt stil en doet niets. Mes en vork omhoog brengen, lippen nog wat verder openen en dan de vork richting vlees.
Als ik na twee weken logeren wegga, lopen er kuikens in de ren. Ik sta met mijn koffer bij de buitendeur te wachten als mijn moeder het erf oprijdt. Ik zwaai niet als ze de auto uitstapt. Mijn grootmoeder legt een hand op mijn hoofd en duwt mij zachtjes naar voren.
‘En?’ vraagt mijn moeder.
Mijn grootmoeder schudt langzaam haar hoofd: ‘Nee.’
Het is aan mij. Ik steek de vork in het vlees, breng mijn mes naar het vlees en snijd langzaam een stukje vlees af. Het sap druipt op mijn bord. Het vlees is mooi wit. Mals en gaar. Ik breng de vork naar mijn mond. Ik kijk nog even naar het sappige witte vlees en sluit dan mijn ogen. Kaken uiteenbrengen, tanden van elkaar. De vork naar voren. Toe dan, toe maar, ik heb de mooiste voor je uitgekozen. Alleen bij mij krijg je het zo mals en gaar. Kauw maar zachtjes. Bedenk hoe mals het is onder die veren. Hoe het gerijpt heeft. Hoe het in de pan gelegen heeft. Of vergeet. Vergeet de tokkende kip en de kriebelende snavel. Mond sluiten. Kauwen. Denk aan een gebraden konijn. Een varkenshaasje. Desnoods aan appeltaart. Open die mond. Eet! Je kan het niet maken dit te laten staan. Ach, dan zoek je het zelf maar uit. Ik stuur je naar je grootmoeder. Zij zal het je leren. En? Nee. En? Nee. Ik geef het op. Waarom dan niet? Vertel me, wat is er mis met deze kip? Wil je een andere? Je kan de bouillon toch drinken? Dan laat je de stukjes vlees liggen. Toe maar. Morgen. Toch? Morgen. Toch? Het sap op mijn tong. Kauwen. Nee. Ja. Kauw! En dan, net als ik mijn tanden in het vlees wil zetten, zie ik honderden kippen wild fladderen, de kraaloogjes schitteren, de poten klauwen in het gras, de kopjes schudden en tokken en de veren overal veren, overal waar ik maar kijken kan, vallen veren uit de lucht en bedekken de grond met een dikke laag dons. Terug! Vork op tafel. Vlees op het bord. Ik sta op, loop naar de buitendeur en werp het stuk gebraden kippenvlees de lucht in. Vliegen. Vliegen zal ze!

……………………………………………………………………………………………………….

 

Het gerecht

Gepubliceerd in de verhalenbundel ‘Als je bij me weggaat’ , uitgeverij 521, 2002

Gevulde avocado’s met garnalen

Ze keek naar de garnalen die op haar bord lagen. Roze in een groene mousse van avocado. Ze vergeleek zichzelf altijd met een avocado. Hard van buiten maar als je hem door snijdt zacht om uiteindelijk te stuiten op de pit. De pit had ze een aantal weken geleden geanalyseerd. Hij bestond uit een aantal lagen maar helemaal binnenin bevond zich een wit eivormig pitje. Zacht en glad. De kern. Ze had gedroomd van de blanke pit. Dat zij het was. Kijkend naar haar avocado met garnalen besefte ze dat dat het probleem was. De blanke pit was eruit gehaald. Zonder het in de gaten te hebben was haar blanke pit verdwenen in een mousse van avocado en garnalen.

Hij at langzaam. De garnalen waren niet vers meer. Dat kon hij duidelijk proeven. Ze hadden waarschijnlijk te lang gelegen. Hij hield nooit zo van avocado’s. Dat zachte glibber van groen spul in je mond. En dan die pit. Dat was altijd een teleurstelling. Die was zo groot dat er eigenlijk niets van de avocado overbleef. Alleen het cherrytomaatje was lekker. Hij hield ook meer van normale voorgerechten. Meloen met rauwe ham bijvoorbeeld of gewoon een pasteitje gevuld met kalfsragout. De garnalen zwommen ruw in zijn mond. Hij wist ook niet goed of hij er nu direct op moest kauwen of dat hij eerst een poging moest doen de smaak tot zich door te laten dringen. Als hij dat deed was de zachte mousse van avocado al door zijn keel gegleden. En dat scheen nu juist het lekkerste te zijn. Die combinatie.
‘Smaakt het?’, vroeg ze, terwijl ze haar avocado leegschraapte.
Hij knikte.

Champignonsoep met rode port

De kruiden dreven bovenop de bouillon. Champignonstukjes ertussen. De soep had een rode kleur.
Rood.
Hij herinnerde zich de eerste keer dat hij haar zag. Een rood shirt had ze toen gedragen. Knal rood, op een witte broek. Bij het oversteken op de ceintuurbaan had hij niet goed uitgekeken en toen was hij tegen haar aangereden. ‘Godverdomme’ en ‘Kan je niet uitkijken?’ waren de eerste woorden die hij van haar hoorde. Hij had zijn excuses aangeboden maar dat hielp niet. Haar fiets was kapot en hoe moest zij nu op tijd komen voor haar sollicitatiegesprek?
Hij had haar zijn fiets gegeven en ze hadden om 15.00 uur afgesproken in café Weber. Hij zou ondertussen haar fiets maken.

Er waren teveel dingen veranderd. Teveel gebeurtenissen die haar leven een andere wending hadden gegeven. Ze had er lang over getwijfeld.
De rode port was lekker. Kruidig en vol van smaak. De champignons waren nog lekker sappig.
Ze wist niet meer wanneer ze begonnen was met twijfelen. Ze had geen flauw idee.
Ze nam nog een hap. De soep deed haar denken aan de warme zomeravonden die ze hadden gehad. In het raam van haar kamer hadden ze uren gezeten. Zwijgend naast elkaar. Kijkend naar de sterren. Prachtige avonden waren dat. De stilte was genoeg.
Nu was het net als de stukjes champignon in de soep. Af en toe een verrassing maar veelal gleed het naar binnen als bouillon. Misschien moest ze wat meer drinken. Dan redde ze het deze avond wel. Dan zou ze er wel door heen komen.
‘Zal ik nog een fles wijn openmaken?’
Hij knikte.
‘Rode wijn?’
Hij knikte.
Rood.

Kabeljauwpakketjes met olijven en tomaat op een bedje van aardappelpuree met peultjes

Met de gerepareerde fiets had hij om drie uur bij Weber gestaan. Om kwart over drie was ze roepend aankomen fietsen. Ze had van veraf al geschreeuwd dat het haar gelukt was. Dat ze de baan als serveerster had gekregen. Remmend was ze vlak voor zijn neus tot stilstand gekomen. Daar had ze hem spontaan gezoend.
De eerste zoen. Uit de lucht gevallen.
Ze hadden koffiegedronken en daarna was ze als vanzelfsprekend met hem meegegaan. Thuis had hij een fles wijn -rood- geopend en hadden ze haar nieuwe baan gevierd. Een kwartier later lagen ze in bed.
Hij hield niet van olijven. De kabeljauw was te lang gebakken. Hij keek even naar haar. Ze zat te spelen met de tomaat.
Ze schoof er mee heen en weer en probeerde de olijven als een torentje op de tomaat te plaatsen. Steeds wanneer er drie olijven op elkaar lagen viel het torentje om. Op dit soort momenten hield hij van haar. Haar ingespannen gezicht, de donker bruine krullen springend om haar hoofd, haar kleine handen bezig met in zijn ogen onzinnige dingen. Hij kauwde op een peultje. De rang bleef tussen zijn tanden hangen. De peultjes waren ook te taai. Met zijn nagel probeerde hij het draadje te verwijderen.

Hij had weer eens iets tussen zijn tanden. Altijd moest hij met zijn nagels iets tussen de tanden uit pulken. Daar had ze een hekel aan. Ze wilde de mond niet zien waarin het eten verdween. Ze wilde eigenlijk helemaal niet weten dat het eten, zoals dat op het bord lag, verpulverd werd door witte maalsteentjes om vervolgens verbrand te worden door maagzuur. Ze kon zich nooit voorstellen hoe een bord met eten, zo prachtig gerangschikt, in de mens als een niet te definiëren massa verdween. Het was voor haar alsof je de schilderijen van Picasso door de papierversnipperaar duwde. Eten was voor haar alleen maar lekker als het er ook mooi uitzag. Daarom hield ze van dit gerecht. Het waren de kleuren die haar boeide. De zwarte olijven als kralen in de licht bruine massa, de groene peultjes die de olijven extra zwart deden uitkomen en dan de rode tomaat. Ze stapelde voorzichtig de olijven op de tomaat. Een paleis ter ere van dit goddelijke gerecht.
Ze hoopte dat hij de boodschap zou verstaan. Dat hij zou begrijpen waarom ze hem voor dit etentje had uitgenodigd. Ze had niet geweten hoe ze het hem anders had moeten vertellen. Het eten moest voor zich spreken. Als de kleuren hem nu maar op zouden vallen. Dat was een begin.

Hij begreep niet waarom ze dit had gemaakt. Ze wist dat hij niet van dit soort gerechten hield. Waarom had ze dit eigenlijk voor hem uitgekozen?
‘Ik nodig je uit voor het gerecht. Ik stel het samen. Jij moet aanzitten.’, had ze gezegd door de telefoon. Hij had verder geen vragen mogen stellen. En nu zat hij bij haar aan tafel. Eten naar binnen te werken waarvan hij nooit begrepen had dat iemand dat lekker vond. Wat wilde ze eigenlijk met dit etentje? Waarom zei ze niets? Ze zat daar maar achter haar bord. Ze at langzaam. Dat had ze altijd gedaan. Vaak moest hij een half uur op haar wachten. Ook nu had hij bijna zijn bord leeg en moest zij nog aan haar kabeljauw beginnen. Hij liet wat peultjes liggen.

Appelbol in bladerdeeg met ijs

Nog koffie en dan moest hij gaan. Ze had gehoopt dat hij zelf zou zeggen dat het niet meer door kon gaan. Dat er een einde aan moest komen. Maar hij had niets gezegd. Ook niet toen zij nog haar kabeljauw aan het eten was en hij met zijn peultjes voor zich uit had zitten staren. Ze had zich niet afgevraagd wat hij dacht. Ze was niet meer nieuwsgierig naar hem. Het kon haar niets schelen wat hij van haar dacht.
De appelbol had ze uit een kookboek, het enigste dat ze had. Het was redelijk gelukt. In de appel had ze aardbeien verstopt. Ze hoopte dat hij de betekenis ervan zou raden. Ze hadden altijd wat gehad met rood. Toen ze hem voor het eerst zag droeg hij rode sokken en zij een rood shirt. Toen had ze al geweten dat het kort zou zijn. Rood is net als ijs. Je moet er niet te lang mee spelen. Even proeven en dan snel doorslikken. Daarom had ze in iedere maaltijd wat roods gedaan. Ter afscheid. Maar dat had hij niet door. Hij at zijn appel op zonder te merken dat er aardbeiden in zaten. Gevoelloos was hij, gevoelloos voor details.

Toch nog iets wat hij lekker vond. Een appelbol. Misschien had ze dan toch haar best gedaan.
‘Lekker’, zei hij.
Ze zweeg. Ze was in de zes maanden dat hij haar kende zwijgend geweest. Hij was eraan gewend geraakt en had ook niet meer de behoefte om veel woorden met haar te wisselen.
Het krokante gezoete laagje kraakte in zijn mond. Hij kon de suiker proeven. Hij had geen idee wat er dadelijk zou gebeuren. Ze zouden nog koffie drinken maar wat dan?
Het koele ijs gleed naar binnen. Hij werd lekker koud van binnen en kon de smaak van peultjes en kabeljauw wegspoelen. Binnen enkele minuten was zijn bord leeg en likte hij het, verontschuldigend naar haar kijkend, af.

Koffie met bonbons

Hij was weg. De koffie stond nog op tafel. De damp kwam er van af. Toen hij de kersenbonbon had zien liggen had hij het begrepen. Hij had haar aangekeken. Strak. Zonder emotie. Had zijn jas aangetrokken en was de deur uitgelopen.
Ooit had ze hem verteld dat ze al haar geliefden een afscheidsmaaltijd gaf. Ze eindigde altijd met een kersenbonbon voor de man en een hazelnootbonbon voor haar. Ze haatte kersenbonbons. De drank maakte dat je de smaak van de kers niet meer proefde en de chocola samen met de drank vond ze ook geen goede combinatie. Het was ook allemaal te zacht van binnen. Terwijl een hazelnoot de kern was van de bonbon. Daar hield ze van. Als ze de ander een kersenbonbon gaf, was het een teken dat ze geen kern had kunnen vinden bij de ander. En daar was ze nu juist naar op zoek, naar de kern.

Ze keek naar de openstaande deur. Ze was misselijk.
Het gerecht kwam naar boven.
Ze moest overgeven.