Berichten

‘Komt er nu een derde wereldoorlog?’ vroeg mijn dochter een paar dagen nadat Trump de verkiezingen had gewonnen.

Ik was even stil.

‘Nee, nu niet,’ zei ik,  en dacht snel na, ik wilde haar een eerlijk antwoord geven, die vraag had ook door mijn hoofd gespookt en in de media was er hier en daar zelfs al over gespeculeerd, ze keek mij ongeduldig aan, ik moest snel antwoord geven wilde ze mijn antwoord nog geloofwaardig vinden, ‘ we weten het niet,’  zei ik snel, ‘niemand weet wanneer er een oorlog komt, begint of eindigt.’

Het niet-weten gaf een opluchting. Dat wat ik snel even had gezegd, gaf ineens heel veel ruimte. Ik hoefde geen antwoord te geven. Ik wist het antwoord niet.

Misschien zo dacht ik even later toen zij al weer buiten aan het spelen was, ligt in het niet-weten ook de mogelijkheid om ons een houding te geven ten opzichte van de ontwikkeling in de wereld. Niet een niet-weten van de kop in het zand, maar een niet-weten waarin dus ook nog het tegenovergestelde mogelijk is.

Waarin het doemscenario zoals dat de afgelopen tijd herhaaldelijk over ons is afgekondigd niet per definitie al gewonnen heeft, waarin we niet fatalistisch ons lot hoeven af te wachten, waarin we niet bang hoeven te zijn maar deze angst juist omzetten in mogelijkheden. In perspectief.

Het Institute for Advanced Study in Princeton (waar Robbert Dijkgraaf de scepter zwaait – bekend van DWDD colleges) is niet zozeer fascinerend om de grote denkers die er hebben gezeteld zoals Albert Einstein en Kurt Gödel maar vooral om de tijd en ruimte die er aan wetenschappers wordt gegeven om tot nieuwe inzichten te komen. Ze mogen er zoveel boswandelingen maken als ze willen, ze mogen lanterfanten, muziek maken. Er zijn geen verwachtingen, niemand wordt ergens op afgerekend. Er is een vrije ontdekkingsruimte waar ze als spelende kinderen samen zijn.

Albert Einstein (1879 – 1955)

Het zijn immers de momenten van vrije ruimte waarin nieuwe inzichten opborrelen en er nieuwe ontdekkingen worden gedaan. Het zijn met andere woorden de parels van het niet-weten die tot grote ontdekkingen en nieuwe wereldbeelden leiden.

Misschien kunnen we zelf een kleine IAS-Princeton met ons meedragen en het niet-weten omarmen. Door stil te vallen, boswandelingen te maken, door te lanterfanten, door samen te zijn en te praten zonder dat we van tevoren al hebben bepaald wat het doel of de uitkomst van het gesprek zou moeten zijn. Misschien dat we zo zonder dat we het weten een nieuwe weg in slaan, een weg richting begrip, vrede en hoop in plaats van weerstand, destructie en chaos.

We hoeven daarvoor niet te wachten op wat de huidige of toekomstige wereldleiders te zeggen hebben of welke berichten ons via de media bereiken. We kunnen daarvoor zelf in actie komen.

Door ons zelf de ruimte te geven om te ‘spelen’, ons niet te laten verstrikken in het idee dat de wereld gekanteld is en de toekomst al bepaald.

We kunnen namelijk ieder moment van de dag onze eigen vrije ruimte innemen, het niet-weten omarmen, vertrouwen op wat het zal brengen en zo wellicht zonder dat we het weten de toekomst mede vorm geven.

Het is vandaag Gedichtendag en tegelijkertijd zijn het ook nog steeds de Nationale Voorleesdagen. Een kleine feestweek van de verbeelding dus! Om die reden in deze Flarden zowel een gedicht als een verhaal. Ja, ook een verhaal. Want waarom zou je met voorlezen ophouden als je wat ouder bent? Niets zo heerlijk om na een drukke  werkdag door iemand te worden voorgelezen. Juist omdat je de ogen kunt sluiten en je door de stem van iemand anders wordt meegenomen, lijkt het alsof de verbeelding makkelijker zijn werk doet. Je drijft haast vanzelf mee op de ritmische woordenstroom.

Tijdens de Nationale Voorleesdagen wordt er op veel scholen en kinderdagverblijven voorgelezen door prinsessen, burgemeesters en bekende Nederlanders. Maar waarom zouden we ons beperken tot de kinderen? Waarom geen verhalen in fabriekshallen, ziekenhuizen, vergaderzalen en bedrijfskantines? Ik zie de woorden al dwalen over lopende banden, door operatiekamers en op vergadertafels dansen. Zinloos? Onnuttige bezigheid? Dat is nog maar de vraag.

Het voorlezen doet immers veel meer dan het vergroten van de woordenschat en een positieve impuls geven aan de taalvaardigheid. Voorlezen verbreedt op een subtiele en eenvoudige wijze de horizon van de luisteraar, het opent nieuwe perspectieven op de wereld en daarmee ook op de luisteraar zelf.

Soms is een verhaal zelfs een waar geschenk. Niet van buiten, maar van binnen. Omdat het een stukje ruimte in jezelf geeft dat je eerder nog niet kende. De woorden hebben een deur open gezet naar onbekend terrein dat je nu met voorzichtige stappen betreedt. En zo af en toe blijkt die nieuwe ruimte in jezelf heel prettig te zijn, je ontwikkelt een nieuw perspectief op de werkelijkheid en daarmee ook op je eigen leven.

Misschien is dat wel het werkelijke feest van de verbeelding, dat er nieuwe werelden ontsloten worden in jezelf die je voorheen niet kende. Dat je uit de automatismen en gewoonte van je denken stapt en een nieuw terrein betreedt om zo met een nieuwe blik het leven tegemoet te treden.

Dus ter ere van Gedichtendag en de Nationale Voorleesdagen onderstaand zowel een gedicht als een klein sprookje. Om zelf te lezen of aan iemand voor te lezen!

 

Een klein sprookje

Het was niet dat de man niet leven wilde, het leek eerder dat het leven de man niet wilde. Alles wat de man ter hand nam, leek gedoemd te mislukken. Dat begon al toen hij een kleine jongen was; als hij in de oven had gekeken wilde de cake niet meer rijzen, de koeien gaven geen melk als hij zijn vader kwam helpen, de meester kwam niet uit zijn woorden als hij in de klas zat. En dus stuurde iedereen hem weg. ‘Ga jij maar een rondje lopen,’ beten de mensen hem toe, ‘dan ben je niemand tot last’. Maar zelfs de rondjes leken hem niet te willen. Hij struikelde voortdurend over stenen, de wind blies hem om of hij werd door buurjongens weggepest. De jongen die ondanks alles verder groeide en een man werd, werd er moedeloos van. Gelukkig kon hij, omdat hij door al zijn rondjes de stad als geen ander kende, net rondkomen van het kleine beetje geld dat hij verdiende als postbezorger. Maar ook dat liep al snel ten einde. De post werd door nieuwe uitvindingen alsmaar minder en minder, tot hij op een dag de laatste brief in een brievenbus deed. Toen had de man niets meer te doen. Hij liep door de straten maar durfde nergens aan te kloppen om te vragen of de mensen hem konden helpen of op zijn minst wat eten wilden geven. Hij was bang dat hij de mensen ongeluk zou brengen. Hij at wat de mensen in hun overvloed hadden achtergelaten in vuilnisbakken of op trottoirs. En zo trok de man van straat naar straat, van dorp naar dorp, van stad naar stad, van land naar land. En hij vergat dat hij ooit nog had geprobeerd iets te worden, hij vergat dat er beroepen waren, hij vergat dat je als mens iets moest betekenen, het enige dat de man deed was door de wereld lopen. En toen hij langzaamaan zelfs vergat dat hij een mislukkeling was, toen leek het plotseling wel alsof alles leek te slagen! Hij kreeg zo nu en dan een stukje brood toegestopt, hij vond een matras om op te slapen, hij hielp een oude vrouw met oversteken en slaagde hier bovenwel in. En hij vertelde aan kinderen over zijn dwaaltochten over de wereld. De kinderen luisterden graag. Zo graag zelfs dat de man ergens in een land, in een stad zomaar een stoel kreeg toegewezen waarop hij dagelijks zijn verhalen mocht vertellen. Op een dag werd er zelfs om de stoel een huis gebouwd zodat de man na het vertellen van zijn verhalen kon uitrusten. Hij kreeg een matras van schapenwol en paardenhaar, hij sliep onder satijnen lakens en er stonden pantoffels van konijnenbont naast zijn bed. Er kwam zelfs een kok in huis zodat de man iedere ochtend, middag en avond wat te eten had. En de man at, sliep en vertelde alsof zijn leven ervan afhing. Iedere dag kwamen er honderden kinderen naar hem luisteren en tot zijn verbazing bleken er vaak ook  grote mensen tussen de kinderen te zitten. En al de kinderen en de mensen vertelden de verhalen van de man aan hun buurman, hun oom of tante, hun vrienden en vriendinnen. En zo reisden de verhalen van de man terug naar waar hij vandaan kwam, naar zijn meester die nu in een stoel met kromme rug glimlachend naar een boeiende anekdote luisterde, naar zijn ouders die niet wisten dat het hun zoon betrof maar een mooie oude dag beleefden door de verhalen die tot hen kwamen. Tot de man, zelf oud en grijs geworden, op een dag besloot dat het tijd was om te gaan, tijd om verder te lopen. Hij trok zijn konijnen bonte pantoffels uit, zei zijn kok vaarwel, zwaaide naar de kinderen en liep op blote voeten de stad uit. Zonder te weten wat het leven hem brengen zou.

 

 

Gedicht

we verlangden…

 

we verlangden

naar elkander

maar we waren

onvindbaar

we keken naar de

vis op ons bord

en wisten we

gaan dood

we verlangden

naar elkander

blikten elkaar in de

ogen maar wisten

dat de dood ons

zoek zou maken

we aten de vis

en lieten ons die

smaken, de dood

was lekker in de vis

we verlangden naar

elkander en bleven

onvindbaar als de

dood ons maar nooit vindt

en we aten nog wat vis

 

In mijn zoektocht voor mijn nieuwe roman kwam ik de volgende uitspraak van de filosoof Henry David Thoreau (1817- 1862) tegen:

‘Men zegt dat in de badkuip van Koning Tching-thang karakters gegraveerd waren met de volgende strekking: Vernieuw jezelf elke dag helemaal – steeds weer, tot in lengte van dagen.’

Het doet me denken aan de lente die ook al is de winter nog zo lang, altijd weer tevoorschijn komt. Alsof de bomen zich ieder jaar weer geheel vernieuwen. Toch kan zich iets pas vernieuwen als er niet ook al iets was. Er waait geen blad aan de boom als er niet eerst een boomstam is met takken.

Zelf houd ik van vernieuwen maar ook van wat was. Het is de kunst van het leven om te staan in het verleden maar wel je blik naar voren te richten, te zien wat nog komt. Precies in dat midden, tussen verleden en de toekomst, bevindt zich de mogelijkheid je te vernieuwen. Steeds weer, iedere dag. Tot in lengte van dagen.

Hierbij een kort fragment uit mijn debuutroman Portrettensoep omdat er ergens ooit een begin was waarop al het andere werd gebouwd…

Fragment uit Portettensoep (2005, Uitgeverij Querido)

‘ Rug, benen, hoofd, armen, voeten, buik, hals en handen vormen elke seconde een beeld dat niet eerder bestond en tegelijkertijd nooit meer terug zal keren. Toe, jij kunt het. Jij kunt hier komen en mij het portret geven. Jouw portret van mij, zodat ik op kan gaan in een simpel beeld dat de oneindige herhaling met zich meedraagt.’

alphaball

Lees meer

Gisteren een kip zien sterven. Naast de voerbak. In het hok. Zijn medebewoners tokkelden er rustig om heen. Dacht even dat ze hem nog toe zouden takelen. Net als het konijn dat vorige week haar kinderen opvrat. De dood zit vol raadsels.