Berichten

Het afgelopen jaar heb ik mij meer en meer verdiept in het aanwezig zijn in de natuur. Op lange wandelingen dwaal ik door Het Nationaal Park De Hoge Veluwe waarin de bomen, het mos, de grond, de lucht, de geluiden van ruisende bladeren, zingende de vogels, het spel van donker en licht, de wolken en het zonlicht mijn enige metgezel zijn.

Steeds weer ervaar ik hoe ik zelf onderdeel ben van deze wonderlijke wereld die we natuur noemen maar die we ook zelf zijn. De natuur is niet iets dat buiten ons staat, de natuur is niet iets waarin we ons begeven, de natuur is onderdeel van wie wij zijn en wij zijn onderdeel van de natuur.

Ons verbinden met de aanwezige natuur leert ons hoe we verbonden zijn met een boom, een voorbijtrekkende wolk of ruisend blad. En als we dat kunnen, die verbinding kunnen voelen, dan kunnen we ook weer ervaren wie we als mens zelf zijn, hoe we zelf onderdeel zijn van deze wonderlijke wereld en wat we als mens in deze wereld komen doen. We kunnen door een vallend blad, een windvlaag op de wang of een zonnestraal in het gezicht de deur openen naar onze eigen drijvende krachten, naar wat ons bezield, wat ons aanspoort ons eigen leven vorm te geven.

Dit klinkt misschien wat vaag… hoe doe je dat?  is de vraag die ik dan ook vaak als eerste te horen krijg. Door het openstellen van al je zintuigen is daarop mijn eerste simpele antwoord. Voel, ruik, kijk, hoor en proef het bos, de bomen, word je bewust van de zachte grond onder je voeten, tast met je vingers de boomschors af of ruik de overgang van loof naar dennenbos. Dompel je onder in de wereld van het bos. Het enige wat je zelf hoeft te doen is werkelijk aanwezig te zijn en misschien, en dat klinkt wat vreemd maar probeer het maar eens, je open te stellen en te kijken of je het bos werkelijk toe kan laten. Of je werkelijk kan ontvangen wat het bos je geeft.

De natuur is immers een meester in het geven. De natuur geeft onbaatzuchtig, zonder doel, zonder verlangen. Dat geven zonder doel of verlangen dat is een vorm van geven die we misschien door de tijd heen verleerd zijn. Onze cultuur is op de een of andere manier lijnrecht tegenover de principes van de natuur komen te staan. Het is een cultuur van verlangen geworden, een cultuur die misschien lange tijd zinvol was maar die zich steeds meer en meer tegen ons lijkt te keren.

Het eeuwige verlangen schenkt ons immers geen levensvreugde maar jaagt ons op. Het laat ons geloven dat als we succesvol zijn, als we iets bereikt hebben, als we in een bepaalde auto rijden, als we een bepaalde fiets hebben of bepaalde reizen hebben gemaakt we iets zijn, we er toe doen en dat als we dat bereikt hebben we dan pas werkelijk een echt mens geworden zijn. En dus doen we ons uiterste best om al die zaken te bereiken omdat we denken dat als we het bereikt hebben we eindelijk gelukkig zijn. Maar dat is nooit voor lang. Al snel borrelt er een ander verlangen op naar iets nieuws, iets anders, iets beters. Een mooiere auto, een snellere fiets, een groter huis, een nieuwe reis.

Dit gecultiveerde verlangen is een systeem geworden waarop onze economie draait en waarin we allen op de een of andere manier gevangen zitten. Hier en daar begint het systeem scheuren en barsten te vertonen maar eigenlijk hebben we geen idee hoe we een ander systeem daarvoor in de plaats kunnen stellen omdat we misschien zelf niet weten hoe we op een andere manier ons leven in kunnen richten. Kunnen we met minder? Kunnen we genoegen nemen met een wandeling in het bos in plaats van een verre reis?  En wie zijn we dan als mens? Welk verhaal vertellen we dan over onszelf?

Misschien is het tijd voor nieuwe verhalen over het menselijk zijn, over wie we als mens willen en kunnen zijn. Ieder voor zich zal daar een eigen invulling aan moeten geven. De vraag is wel of ons nog heel veel tijd gegeven is. De aarde schreeuwt om aandacht. Dat kunnen we overlaten aan de mensen die afreizen naar de klimaattop zoals onlangs in Polen maar we kunnen ook bij ons zelf te raden gaan en kijken hoe we de aarde tegemoet kunnen treden en de natuur werkelijk weer kunnen omarmen. Wie zich eenmaal op dat pad begeeft, zal zich misschien net als ik meer en meer verwonderen.

IMG_1038

De boom of het het bos naast je deur herbergt immers duizenden geheimen die je wellicht nog niet ontdekt hebt. Ik kan soms twee uur lang wandelen en ben dan slechts een paar honderd meter verder gekomen. Het gaat mij niet om de afstand die ik afleg, het gaat mij om het samen zijn met het bos, de verwondering over een takje op de grond, het zachte mos in mijn handen, de bomen die zich over mij heen buigen, de takken die wuiven in de wind. Daar hoef ik niet duizend kilometer voor af te leggen dat vind ik hier in het bos in mijn eigen land of zelfs in mijn eigen achtertuin waar planten hun groene bladeren laten wuiven en de takken hoewel kaal in de winter al weer een belofte van een nieuwe knop met zich meedragen. Het samenvallen met de natuur om mij heen schenkt mij niet alleen verwondering maar ook een innerlijke rust die ik eerder nog niet kende. Ik baad en waad in het bos en word langzaam opgenomen in de wonderlijke wereld van het bos. Vaak krijg ik nieuwe ideeën voor romans of mooie zinnen aangereikt tijdens een boswandeling. Het bos voedt mij met inspiratie.

De natuur geeft onbaatzuchtig maar wij hebben deze kunst van het geven ook in ons. Misschien zouden we om de scheuren en barsten in het huidige systeem wat op te rekken en openingen te creëren voor nieuwe wegen, ons in de cultuur van het geven kunnen verdiepen. Wat hebben we te geven? Wat willen we graag geven? Wat kunnen we geven? En dat hoeven juist geen cadeaus of ingewikkelde grootse dingen te zijn. Het kan heel simpel en eenvoudig. Zoals de bomen ons van zuurstof voorzien, de planten ons eten schenken, de zon ons licht brengt iedere dag, zo draagt ieder mens ook een essentie met zich mee die hij kan geven aan een ander. Misschien een inzicht, misschien een helpende hand, misschien een kritische vraag die de ander verder brengt, en dan zonder verlangen om daar voor betaald te worden, zonder verlangen voor een tegenprestatie, zonder verlangen naar erkenning maar simpelweg omdat de natuur een samenspel is van geven en ontvangen en wij nu eenmaal zelf natuur zijn en we dus kunnen geven en ontvangen zonder dat we daarmee ook maar enig verlangen hoeven te stillen.

Onbaatzuchtig geven en ons verbinden met de wereld om ons heen. Zoals de bomen ons eigenlijk zo eenvoudig voorleven. Misschien wordt het tijd om onze ogen te openen, het verlangen naast ons neer te leggen en in 2019 een begin te maken met The Art of Giving. Voor inspiratie hoeven we niet ver van huis. De boom op de hoek van de straat leeft het je voor.

Ik wens iedereen een liefdevol, inspirerend en verbindend 2019 toe!

Morgen zijn de verkiezingen. En nog nooit in mijn leven heb ik de verkiezingen zo spannend gevonden. En niet alleen de verkiezingen ook de wereld en de transformatie waarin deze zich bevindt, houdt mij bezig: in gesprekken met mensen om mij heen, maar ook innerlijk – ik droom er zelfs over. De buitenwereld dringt zich naar binnen.

Het duurde even voordat ik ontdekt had waar precies om ging. Totdat ik besefte dat ik de afgelopen tijd eigenlijk van een droom beroofd ben. Een droom dat de moderne mens in staat zou zijn een nieuwe mensheid neer te zetten. Een mensheid met mededogen, met liefde voor de ander. Een mensheid waarin iedereen gezien en erkend wordt. Een mensheid waarin voor iedereen op deze aarde een plek is, een plek om te leven en te zijn.

Natuurlijk zag ik dat de wereld daar voortdurend in faalde maar ik had ergens het geloof dat we daar als mensheid wel naar op weg waren en dat – wie weet ooit, over vele generaties – de mensheid erin zou slagen in vrede en liefde te leven. Nu weet ik niet waar de wereld naar op weg is. Ik hoor geen toekomstvisioenen, ik zie geen visionaire leiders. Ik hoor en proef vooral angst.

De wereld lijkt te worden overgenomen door leiders die vanuit angst regeren, angst voor verlies aan macht, angst voor het vreemde, angst voor het onbekende. Of zij regeren uit pijn van miskenning of frustratie dat hen niet toekomt waar zij recht op hebben. Zij sluiten uit, bouwen muren, liegen, verzinnen een waarheid. Maar de leiders staan niet op zichzelf. Zij komen voort uit een samenleving waarin blijkbaar voedingsbodem is voor deze levenshouding. Een houding waarin we vooral naar ons zelf kijken en bang zijn voor wat we eventueel zouden kunnen verliezen.

De hedendaagse leiders slagen erin steeds meer mensen naar zich toe te trekken die dit gevoel herkennen en zich veilig voelen bij hen omdat ze erkend worden in hun angst. Hoe is het mogelijk vraag ik me af dat zoveel mensen zich miskend voelen, zich niet gezien voelen, zich geen raad weten met de wereld?

Of is het inherent aan het menselijk zijn? Sinds mensenheugenis trekt de mensenkaravaan over de aarde en strijkt neer waar leven te vinden is, waar overlevingskansen zijn, waar kinderen in vertrouwen en met toekomstperspectief groot kunnen worden. De mensenkaravaan komt soms op plaatsen aan waar strijd ontstaat, waar het vreemde niet wordt omarmd. En er ontstaat een zoektocht naar het samen laten gaan van nieuwe culturen, soms slaagt de mensheid erin, soms niet. En toch trekt de karavaan altijd weer verder. Voortgedreven uit een verlangen naar een beter leven.

Maar als het verlangen naar een betere wereld zo eigen is aan de mens dat hij er voortdurend naar op zoek gaat, is het dan toch niet mogelijk om als mensheid zo samen te leven dat iedereen in vrede, liefde en vertrouwen kan leven?

‘I have a dream’ , zei Martin Luther King ooit. En Martin Luther King liet zien dat dromen niet alleen dromen zijn maar ook werkelijkheid kunnen worden. Als alle kleine stemmen zich maar verenigen. Alles begint bij iedere kleine stem. Het zijn de kleine stemmen van alle mensen samen die de wereld vormen, ons land besturen.

Het is die kleine stem die ik – hoezeer deze stem misschien door anderen als een illusie of misschien zelfs als een utopie wordt weggewuifd– wil blijven koesteren. Want ik geloof er in dat ieder mens ongeacht afkomst, religie, opleiding, geslacht, politieke voorkeur of welke identiteit dan ook deze kleine stem met zich meedraagt, deze kleine stem van verlangen naar liefde, vertrouwen en vrede.

Ik droom vandaag, morgen, overmorgen en de dagen die zullen komen dan ook mijn droom van liefde, vrede en vertrouwen. In de hoop dat op een dag de mensheid in staat zal zijn ook daadwerkelijk in vrede en liefde te leven. Tot in alle uithoeken van de wereld.

 

 

Een aantal jaren geleden viel mij de volgende zin in:

we zijn allemaal één stap verwijderd van de gekte, dat laat ons geen andere keus dan het geluk te omarmen

 

Ik weet nog goed wanneer deze woorden mij te binnen schoten. Ik reed op dat moment van het ziekenhuis, waar mijn ernstig zieke dochter lag, naar huis. Ik voelde mij zo machteloos, niet in staat iets aan het lijden van mijn kind te kunnen doen dat ik  niet wist of ik de situatie nog wel langer vol zou kunnen houden, of ik niet ineen zou storten van verdriet, angst en onmacht. Toen alsof het mij ineens helder werd, begreep ik dat ik geen keus had. Dat de wanhoop en de angst er wel waren maar dat als ik mij daaraan vast zou houden, ik mij uiteindelijk alleen maar zou omringen met de waanzin, met het ondraaglijke.

Ik begreep ineens dat, wilde ik niet gek worden van de onmacht, er maar een ding was dat ik kon doen. Mijn blik richten op het geluk. Niet op hetgeen mogelijkerwijs zou kunnen gebeuren, maar op hetgeen er in deze ondraaglijke situatie wel was. Op het licht van de maan en de sterren die het wegdek verlichtten. Op de liefde voor mijn kind. Op het leven zelf.

Tot op de dag van vandaag –mijn dochter is gelukkig al lang genezen- herlees ik deze zin zo nu en dan en besef ik dat het steeds aan mij is om de stap te zetten, de stap naar het geluk. Dat wil niet zeggen dat ik het donker of de waanzin in het leven niet zie of niet toe laat. Nee, zeker niet, het is ook onmogelijk om angst, wanhoop of verdriet uit de wereld te verbannen. Het zou ook onzinnig zijn om die strijd te voeren. Dan voer je een zinloze strijd tegen iets dat nooit weg zal gaan. Maar het wil wel zeggen dat het mogelijk is om zelfs in een wanhopige situatie geluk te ervaren of zelfs gelukkig te zijn.

Dat dit zelfs in de meest duistere tijden mogelijk is, verwoordt de joodse schrijfster Etty Hillesum indrukwekkend in haar dagboeken. Etty Hillesum werd afgevoerd naar een concentratiekamp maar bleef in haar dagboek schrijven. Zij slaagt erin de schoonheid van de wereld te blijven zien en te ervaren zelfs in een context die als inhumaan en waanzinnig kan worden beschreven. Met haar woorden toont zij hoe het in een krankzinnige wereld toch mogelijk is levensgeluk te ervaren. Een zonnestraal in het gelaat, een zingende vogel op een tak. Een haast onmenselijke prestatie lijkt dat te zijn, en toch slaagde Etty Hillesum erin, zonder het leed dat zich om haar heen afspeelde te ontkennen.

Bij thuiskomst van mijn autorit schreef ik de woorden op en hing ze op in mijn schrijfkamer. Ze hangen er nu nog en herinneren mij met regelmaat eraan dat er een keus is, een keus om één stap te zetten en niet de waanzin, het verdriet of de onmacht  maar het geluk te omarmen.

Er groeit een madeliefje voor mijn raam. Een klein wit madeliefje. Het is uit de donkere grond omhoog gekomen, het zonlicht heeft het te voorschijn getoverd. Ik denk niet dat het madeliefje verlangend heeft uitgekeken naar de zon of geprobeerd heeft haar nek uit te steken om eerder een glimp van de zon op te vangen. Het heeft niets gedaan eigenlijk, het was simpelweg al die tijd in het donker aanwezig en kwam tot bloei toen de zon ging schijnen.

En toch heeft het kleine bloemetje al groeiend voor mijn raam zo haar waarde. Het voedt zo nu en dan een hongerige bij of ander vliegje, kinderen kunnen er kransjes mee vlechten die ze als kronen dragen en het is zelfs eetbaar in een salade.

Al kijkend naar het kleine bloemetje vraag ik me af wat de menselijke waarde zou kunnen zijn zonder dat ik als mens gericht ben op het verwezenlijken van die waarde. Welke waarde ontspruit er aan mij zonder dat ik daar werkelijk iets voor doe dan alleen het licht op mij te laten schijnen?

Ik realiseer me dat ik zelf maar al te vaak verstrikt ben in het streven naar een doel, een uitkomst, een richting, een resultaat. Maar stilstaan bij de vraag welke waarde ik al heb, zonder dat ik ook maar iets doe, is interessant. Het richt mijn blik naar binnen en laat de buitenwereld en het resultaat even voor wat het is.

Met die naar binnen gerichte blik zie ik iets anders van mezelf dan wanneer  ik me richt op de prestatie, het succes of hoe iets zou moeten zijn. Ik word wat zachter, het lijkt erop alsof ik dichterbij de essentie kom van het zijn, van wie ik ben in plaats van wat ik moet worden. Ik schrijf dan omdat ik er plezier aan beleef en de mensen mooie verhalen wil brengen niet omdat ik streef naar succes of een prijs. Ik zorg voor mijn kinderen omdat ik zinvol en liefdevol aanwezig wil zijn in hun leven, niet omdat ik hoop dat zij iets zullen ‘worden’.

In de vraag hoe ik van waarde kan zijn, zit dus een verbinding met mijn eigen innerlijk en tegelijkertijd met de wereld om mij heen maar zonder winstbejag of resultaat. En die waarde is er, zonder dat ik daar direct iets voor terug verlang en zonder dat ik daar ook direct iets voor hoef te doen. Het toont zich als het licht erop schijnt.

Als we vanuit die menselijke waarde leven, geven we misschien wel het mooiste aan de wereld dat er is: namelijk onszelf. En dan ontvangen we van elkaar misschien wel het grootste geschenk, namelijk niet een buitenkant of opgeklopt zelf, maar de mens zoals hij op dat moment is en niet wat hij nog wil zijn of zou moeten zijn of wat hij pretendeert te zijn.

Onderstaand het gedicht ‘we zochten’ .

we zochten…

we zochten, wisten niet waar

de hooiberg en de speld

we renden naar het einde van

de horizon en verdwenen in de verte

uit het zicht

we zochten, wisten niet wat

hoeken en gaten

vonden niets dan leegte

en wisten niet wat

en waarom

we zochten het leven

rondom het hart

het riep ons zacht

maar wat ?

we zochten het woord

om te zeggen dat

vonden we het ooit?

we klopten aan

– de hemelpoort?

binnen! riep het hart

zacht

 

Met stilte is iets vreemds aan de hand. Stilte lijkt wel een op zichzelf staand iets te zijn, maar stilte bestaat eigenlijk alleen bij de afwezigheid van iets. Van geluid, beweging, vertier, drukte, rumoer en ga zomaar door. Als je nooit geluid of beweging hebt ervaren, kan je de stilte ook niet waarnemen. Evenzo geldt dit voor geluid of beweging. Zonder stilte of stilstand bestaan ook zij niet.

Doordat stilte pas bestaat bij haar tegendeel, bestaan er ook allerlei verschillende vormen van stilte. Zo kan het plotseling stil vallen, is er een stilte voor de storm of is iemand wat stilletjes. Alles hangt eigenlijk af van de context en van hetgeen zich om de stilte heen bevindt.

Zelf houd ik erg van de stilte in de vroege ochtend, zo vlak voor het ontwaken, als ik mijn ogen voor de eerste keer heb opengedaan maar ze nog even sluit, nog even niet, nog even alles in ruststand. Zo dadelijk begint de dag, maar nu is er nog de warmte van het bed, een stil huis. Misschien is die ochtendstilte zo intens, juist omdat je weet dat dadelijk alles in beweging komt. Het contrast maakt de stilte dieper, intenser.

Componisten kennen het contrast van stilte en geluid als geen ander. Zij componeren niet alleen met noten, klanken en geluiden maar juist ook met de stilte. Waar komt de rust te staan? Waar de snelle noten en waar juist de lange noten uit laten klinken? Zou er geen ruimte tussen de klanken zitten dan zou muziek heel anders klinken, het zou waarschijnlijk een soort van monotoon gebrom worden. De stilte geeft ruimte aan de muziek. Of anders gezegd: in de stilte vindt de muziek haar ruimte.

Niet alleen de muziek, maar ook de mens vindt in stilte zijn ruimte. Zo liet bijvoorbeeld de schrijver Proust een kamer met dikke lagen kurk beplakken zodat geen enkel geluid van buiten naar binnen kon dringen. Hij meende dat hij zo zijn eigen gedachtegang pas werkelijk kon horen en volgen. Hij schreef er zijn hele oeuvre.

Proust sloeg misschien een beetje door maar ergens schuilt er in zijn dichtgetimmerde kamer met kurken wel een mooi beeld. De mens moet zich van de buitenwereld afsluiten om te kunnen luisteren naar hetgeen zich in het diepst van hemzelf kenbaar wil maken, wil laten klinken.

Zelf ervaar keer op keer weer, hoe rijk de stilte is. Doe ik te veel achter elkaar, laat ik me verleiden om van de ene activiteit naar de andere te hollen of voeg ik mij naar wat de buitenwereld van mij verlangt, dan lijkt het alsof mijn eigen klank wordt overspoeld, alsof er geen ruimte meer is voor de muziek die ik zelf ben.  Ik koester de stilte dan ook als iets kostbaars.

En het prettige van stilte is, is dat het ieder moment beschikbaar is. Je hoeft niet net als Proust je kamer te beplakken met kurk, je kan ook minder drastisch te werk gaan. Door bijvoorbeeld even stil te staan in een drukke winkelstraat, even niet mee te rennen en het contrast van het stil staan en de beweging om je heen op je in te laten werken.

Want als het tegendeel van de stilte – geluid, beweging, drukte en vertier –  op de achtergrond wordt geplaatst , laat zij zich horen. Soms als een schichtig vogeltje, dan weer als een grote sterke leeuw, soms als een woeste stormwind, dan weer als een zacht lentebriesje, maar hoe dan ook ze komt en iedereen die wil, kan zich aan haar laven.

Onderstaand drie citaten die zo treffend het bovenstaande illustreren.

 

Als zijn muziek uit is, is de stilte die volgt nog steeds Mozart.

Sacha Guitry, een Frans toneelschrijver (1885-1957)

 

Stilte is niet de afwezigheid van geluid, stilte is de diepste klank.

Tao Meng

 

De stilte is de slaap die de wijsheid voedt.

Francis Bacon, engels filosoof en staatsman (1561-1626)