Berichten

Het is vandaag Gedichtendag en tegelijkertijd zijn het ook nog steeds de Nationale Voorleesdagen. Een kleine feestweek van de verbeelding dus! Om die reden in deze Flarden zowel een gedicht als een verhaal. Ja, ook een verhaal. Want waarom zou je met voorlezen ophouden als je wat ouder bent? Niets zo heerlijk om na een drukke  werkdag door iemand te worden voorgelezen. Juist omdat je de ogen kunt sluiten en je door de stem van iemand anders wordt meegenomen, lijkt het alsof de verbeelding makkelijker zijn werk doet. Je drijft haast vanzelf mee op de ritmische woordenstroom.

Tijdens de Nationale Voorleesdagen wordt er op veel scholen en kinderdagverblijven voorgelezen door prinsessen, burgemeesters en bekende Nederlanders. Maar waarom zouden we ons beperken tot de kinderen? Waarom geen verhalen in fabriekshallen, ziekenhuizen, vergaderzalen en bedrijfskantines? Ik zie de woorden al dwalen over lopende banden, door operatiekamers en op vergadertafels dansen. Zinloos? Onnuttige bezigheid? Dat is nog maar de vraag.

Het voorlezen doet immers veel meer dan het vergroten van de woordenschat en een positieve impuls geven aan de taalvaardigheid. Voorlezen verbreedt op een subtiele en eenvoudige wijze de horizon van de luisteraar, het opent nieuwe perspectieven op de wereld en daarmee ook op de luisteraar zelf.

Soms is een verhaal zelfs een waar geschenk. Niet van buiten, maar van binnen. Omdat het een stukje ruimte in jezelf geeft dat je eerder nog niet kende. De woorden hebben een deur open gezet naar onbekend terrein dat je nu met voorzichtige stappen betreedt. En zo af en toe blijkt die nieuwe ruimte in jezelf heel prettig te zijn, je ontwikkelt een nieuw perspectief op de werkelijkheid en daarmee ook op je eigen leven.

Misschien is dat wel het werkelijke feest van de verbeelding, dat er nieuwe werelden ontsloten worden in jezelf die je voorheen niet kende. Dat je uit de automatismen en gewoonte van je denken stapt en een nieuw terrein betreedt om zo met een nieuwe blik het leven tegemoet te treden.

Dus ter ere van Gedichtendag en de Nationale Voorleesdagen onderstaand zowel een gedicht als een klein sprookje. Om zelf te lezen of aan iemand voor te lezen!

 

Een klein sprookje

Het was niet dat de man niet leven wilde, het leek eerder dat het leven de man niet wilde. Alles wat de man ter hand nam, leek gedoemd te mislukken. Dat begon al toen hij een kleine jongen was; als hij in de oven had gekeken wilde de cake niet meer rijzen, de koeien gaven geen melk als hij zijn vader kwam helpen, de meester kwam niet uit zijn woorden als hij in de klas zat. En dus stuurde iedereen hem weg. ‘Ga jij maar een rondje lopen,’ beten de mensen hem toe, ‘dan ben je niemand tot last’. Maar zelfs de rondjes leken hem niet te willen. Hij struikelde voortdurend over stenen, de wind blies hem om of hij werd door buurjongens weggepest. De jongen die ondanks alles verder groeide en een man werd, werd er moedeloos van. Gelukkig kon hij, omdat hij door al zijn rondjes de stad als geen ander kende, net rondkomen van het kleine beetje geld dat hij verdiende als postbezorger. Maar ook dat liep al snel ten einde. De post werd door nieuwe uitvindingen alsmaar minder en minder, tot hij op een dag de laatste brief in een brievenbus deed. Toen had de man niets meer te doen. Hij liep door de straten maar durfde nergens aan te kloppen om te vragen of de mensen hem konden helpen of op zijn minst wat eten wilden geven. Hij was bang dat hij de mensen ongeluk zou brengen. Hij at wat de mensen in hun overvloed hadden achtergelaten in vuilnisbakken of op trottoirs. En zo trok de man van straat naar straat, van dorp naar dorp, van stad naar stad, van land naar land. En hij vergat dat hij ooit nog had geprobeerd iets te worden, hij vergat dat er beroepen waren, hij vergat dat je als mens iets moest betekenen, het enige dat de man deed was door de wereld lopen. En toen hij langzaamaan zelfs vergat dat hij een mislukkeling was, toen leek het plotseling wel alsof alles leek te slagen! Hij kreeg zo nu en dan een stukje brood toegestopt, hij vond een matras om op te slapen, hij hielp een oude vrouw met oversteken en slaagde hier bovenwel in. En hij vertelde aan kinderen over zijn dwaaltochten over de wereld. De kinderen luisterden graag. Zo graag zelfs dat de man ergens in een land, in een stad zomaar een stoel kreeg toegewezen waarop hij dagelijks zijn verhalen mocht vertellen. Op een dag werd er zelfs om de stoel een huis gebouwd zodat de man na het vertellen van zijn verhalen kon uitrusten. Hij kreeg een matras van schapenwol en paardenhaar, hij sliep onder satijnen lakens en er stonden pantoffels van konijnenbont naast zijn bed. Er kwam zelfs een kok in huis zodat de man iedere ochtend, middag en avond wat te eten had. En de man at, sliep en vertelde alsof zijn leven ervan afhing. Iedere dag kwamen er honderden kinderen naar hem luisteren en tot zijn verbazing bleken er vaak ook  grote mensen tussen de kinderen te zitten. En al de kinderen en de mensen vertelden de verhalen van de man aan hun buurman, hun oom of tante, hun vrienden en vriendinnen. En zo reisden de verhalen van de man terug naar waar hij vandaan kwam, naar zijn meester die nu in een stoel met kromme rug glimlachend naar een boeiende anekdote luisterde, naar zijn ouders die niet wisten dat het hun zoon betrof maar een mooie oude dag beleefden door de verhalen die tot hen kwamen. Tot de man, zelf oud en grijs geworden, op een dag besloot dat het tijd was om te gaan, tijd om verder te lopen. Hij trok zijn konijnen bonte pantoffels uit, zei zijn kok vaarwel, zwaaide naar de kinderen en liep op blote voeten de stad uit. Zonder te weten wat het leven hem brengen zou.

 

 

Gedicht

we verlangden…

 

we verlangden

naar elkander

maar we waren

onvindbaar

we keken naar de

vis op ons bord

en wisten we

gaan dood

we verlangden

naar elkander

blikten elkaar in de

ogen maar wisten

dat de dood ons

zoek zou maken

we aten de vis

en lieten ons die

smaken, de dood

was lekker in de vis

we verlangden naar

elkander en bleven

onvindbaar als de

dood ons maar nooit vindt

en we aten nog wat vis

 

Afgelopen week las ik in de Volkskrant dat M. Vasalis, de dichteres, nooit interviews gaf. Eenmaal schijnt ze een journalist te woord hebben gestaan die zich voordeed als patiënt -ze was namelijk ook psychiater. Ik kende het verhaal van de stille Vasalis niet. En het verraste mij ook. Immers toen ik als vijftienjarige scholiere voor het vak Nederlands een gedicht van haar moest analyseren – een van haar meest bekende ‘ De idioot in bad’-  , en daarin  ook moest vermelden wat de schrijver ermee bedoeld zou hebben, leek het mij het meest voor de hand liggen omdat de schrijver zelf te vragen.

 Hoe ik aan haar telefoonnummer kwam weet ik niet meer, waarschijnlijk heb ik het gewoon in het telefoonboek opgezocht, er waren niet zoveel mensen met de naam Drooglever Fortuyn – Leenmans (M.Vasalis was haar pseudoniem). Dus belde ik haar op een middag op. Bloednerveus dat wel. Ik kreeg een aller aardigste man aan de telefoon die zijn vrouw wel even zou roepen. Even later had ik Vasalis zelf aan de telefoon. Ik herinner me niet alles meer, maar wat me is bijgebleven is haar ongedwongen beantwoording van mijn vragen. Ze moet zo begin tachtig zijn geweest.

Als beantwoording op al mijn vragen zei ze dat al die mensen die haar gedichten zo bijzonder vonden en zo uitgebreid van betekenis voorzagen  er vaak veel te veel achter zochten. Ze begreep al die uitgebreide analyses niet, ze bedoelde immers gewoon wat er stond. Na het gedicht toch regel voor regel door te hebben genomen en meestal van haar te horen dat er geen andere betekenis was dan hetgeen ze letterlijk had opgeschreven, bedankte ik haar hartelijk en hingen we op. En zo kon ik de volgende dag met enige  trots  vertellen dat ik de dichteres zelf maar even had gebeld en dat er achter veel van haar regels niet zoveel meer school dan de woorden die ze had opgeschreven. Niet wetende dat ik jaren later, om precies te zijn zo’n tweeëntwintig jaar later, er pas achter zou komen hoe uniek dit telefoongesprek moet zijn geweest.

Waarom ze een jonge scholiere destijds wel te woord stond zullen we nooit  weten. M.Vasalis overleed op 16 oktober 1998. Haar terughoudendheid siert haar wellicht ook. Vooral in een tijd waarin het soms meer om de personen lijkt te gaan dan om de kunst die door hen gemaakt wordt, is haar zwijgen des te fascinerender. Ze koos voor de stilte in haar bestaan. Ze koos voor de kracht van haar werk. Net zoals Hella S. Haasse, die onlangs overleed, er voor koos om zich niet theatraal in een boot over de Amstel te laten varen maar  in kleine kring afscheid nam van de wereld. Waarschijnlijk met mensen omringd die werkelijk van haar hielden.

Misschien zouden we van de wijsheid van deze twee vrouwen kunnen leren. Het innerlijke en intieme leven boet immers aan kracht en waarde in als we denken dat we dit altijd ten toon moeten spreiden ter ere van… ja van wat eigenlijk? Transparantie? IJdelheid? Hoogmoed?

In stilte voer ik mijn eigen eerbetoon aan deze twee vrouwen. Die grootse werken schreven maar tegelijkertijd het innerlijke en intieme koesterden. Omdat ze wisten dat zodra ze het prijs zouden geven aan de glitter en glamour er iets van de glans zou vervagen.

De komende herfstweken lenen zich ervoor, om in te keren naar het innerlijk en even het uiterlijk vertoon te laten voor wat het is. En om te ervaren hoe rijk het innerlijk kan zijn als we het de tijd geven om tot wasdom te komen. Onderstaand  – hoe kan het anders- een gedicht van M. Vasalis.

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos,
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar ‘t een droom, in ‘t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mijzelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

M. Vasalis

Uit Parken en Woestijnen, Uitgeverij van Oorschot 1940

Het schrijven van een roman is net het leven zelf. Totaal onvoorspelbaar. Dacht ik te weten hoe mijn nieuwe roman zo ongeveer zou verlopen, blijkt opeens een ander personage de roman over te nemen en het verhaal een hele nieuwe wending te geven.

Inmiddels ben ik als schrijver een beetje gewend aan dergelijke ontwikkelingen. De eerste keer dat het mij overkwam vocht ik nog maandenlang met het nieuwe en het oude verhaal. Ik kon maar niet begrijpen hoe dat verhaal waar ik al zo lang aan werkte plotseling veranderd werd door een personage dat maar niet wilde wijken en steeds meer ruimte innam.

Nu weet ik dat er niets anders opzit dan me over te geven aan het verhaal dat zich als het ware vanzelf schrijft. Proberen te begrijpen waarom dat gebeurt of proberen grip te krijgen op dat proces werkt altijd averechts. Je verkrampt, je zoekt naar redenen die er niet zijn, je probeert iets te beheersen wat niet te beheersen valt.

Het is als het leven zelf. Wanneer je het leven probeert te begrijpen of volledig te beheersen glipt het echte leven door je vingers heen. Je bent immers alleen gericht op hetgeen je zou willen beheersen. Wil je werkelijk leven dan kun je eigenlijk niets anders doen dan in overgave het onvoorspelbare tegemoet treden. Dat wil niet zeggen dat je willoos bent overgeleverd aan de gebeurtenissen die je overkomen. Zeker niet. Het is nog altijd  een keus hoe je je ten opzichte van de stroom van leven verhoudt. En dat kan op allerlei manieren. Je kan er in duiken, je kan meedrijven of je kan rustig met de stroom mee zwemmen.

Maar wat je ook kiest: er tegen in gaan of driftig proberen de stroom voor te blijven put je alleen maar uit, de kans is groot dat je op een zeker moment uitgeput aan de oevers neervalt…  onderstaand een kleine gedachte over stromen en springen…

Stroom, Spring, Sprong

Hoe langer ik kijk hoe minder ik weet, het einde van de stroom is nooit in zicht, ik weet dat als ik spring, ik na een tijdje de sprong vergeet, dan is de stroom niet meer, ik word stroom, het is verleidelijk lang aan de oever te staan, te kijken hoe alles wegdrijft, maar ik weet…ik kijk nog hoe alles beweegt, hoe alles veranderd, ik denk nog…ik kijk achter me maar daar is niets meer, ik kijk vooruit, daar is nog niets, ik kan niet anders dan…ik weet het, nog even, en dan, ik spring, stroom, sprong, ik sprong, stroom, spring

Gesprongen!

Er is een theorie die zegt dat verhalen dragers zoeken om voort te leven. Of met andere woorden: wij mensen verzinnen de verhalen niet, nee, het zijn de verhalen die ons uitzoeken om in te kunnen voortbestaan.

Een vreemde gedachte, vond ik in eerste instantie. Dat zou betekenen dat je willoos bent overgeleverd aan een ‘verhalenwereld’.  Toch, als je er langer over nadenkt, lijkt er waarheid in te schuilen. Het zijn de verhalen die ons gevormd hebben tot wie we zijn. Verhalen over onze ouders, grootouders, ons land, onze cultuur, onze geschiedenis… ze zijn  – zonder dat we erom gevraagd hebben – met ons vergroeid.

Zelf ervoer ik bij het schrijven van Noem het liefde hoe het Scheppingsverhaal nog altijd een rol speelde in de wijze waarop ik mijzelf als vrouw en moeder waarnam. Het verhaal was door mijn katholieke opvoeding zo onderdeel van mij geworden, dat ik niet eens wist dat het nog altijd in mij bestond.  Uiteindelijk herschreef ik het Scheppingsverhaal en bracht zo verandering in een verhaal dat ik al jarenlang met mij meedroeg. En daarmee veranderde ik zelf ook, mijn vrouw- en daarmee eigenbeeld bleef niet hetzelfde.

Verhalen hebben dus de mogelijkheid om mensen te veranderen, het zijn immers de verhalen waaruit we bestaan. Om je eigen verhalen te herschrijven moet je wel eerst weten uit welke verhalen je bestaat… onderstaand een klein gedichtje over het vertellen van een verhaal.

Vertel


Vertel me je verhaal en ik zal luisteren

Vertel me je verhaal en ik zal je kennen

Maar nog meer dan je woorden

Zal ik kijken

 je handen door het haar

je voetstappen op de trap

 je buiging voor het oprapen van je sok

In alles wat je doet

Hoor ik jou