Gepubliceerd in Raster, nr.108  2004

Een brave burger eet zijn eten en daarmee basta!
Robert Walser

Het ligt daar en doet niets. Het is aan mij. Ik heb mijn handen losjes op tafel gelegd. De handpalmen richting mijn bord gedraaid. De vingers in een licht ontspannen houding, alsof ik in een restaurant zit en de ober net een bord voor me heeft neergezet en mij met een hoofdknik weer alleen heeft gelaten. Mijn rug is recht. Mijn hoofd lichtjes naar beneden gebogen zodat ik het kan zien liggen. Het ligt stil. Volkomen stil. Het is aan mij. Mijn grootmoeder liep altijd rustig en beheerst de kippenren in. Ze wist altijd al welke kip het werd. De keuze was de avond daarvoor bij het voeren gemaakt. Het moest een goede kip zijn. Niet te jong, niet te oud, geen legkip en overal een beetje rond. Bij het voeren aaide ze alle kippen over de veren. In die aai voelde zij het vlees aan de botten en besloot ze welke kip de volgende ochtend uit de ren gehaald zou worden. Als ze de volgende morgen de kip van haar keuze zag, riep ze haar zachtjes met kirrende geluiden. De kip liep liefelijk waggelend in haar geopende armen. Mijn grootmoeder tilde haar met beide armen op en nam haar mee. Vlak voor ze de bijl op de nek liet neerkomen, streelde ze liefkozend de veren. De kip pikte haar niets vermoedend zachtjes in de hand.
Mijn kip heeft de hele dag ingepakt op het keukenblad gelegen. Pas aan het einde van de dag durfde ik de tas voorzichtig te openen. Ik heb zachtjes aan de koude klauwtjes getrokken totdat ik de kip, hangend met zijn kop naar beneden, in mijn rechterhand had. Koude kip. Mijn grootmoeder had warme kip. Ook als de kop eraf was, bleef de kip warm. Ze hield de kop altijd in haar handen, sloot de kleine kraaloogjes met haar wijsvinger en liet het bloed uit de nek weglopen in een emaillen van te voren schoongemaakte kom. Als het bloeden gestopt was, nam ze kop en kip mee naar binnen. Daar plukte ze de kip kaal. Veer voor veer. Koude naakte kip. Die moed had ik wel. De klauwen stijf en koud in mijn hand. Nog even wachten. Ik legde haar, de kop bungelde heen en weer, op het aanrecht en ging op een stoel zitten. Het beest staarde me met open snavel in volle naaktheid aan.
‘Houd jij de kop even vast?’ vraagt ze.
Ik deins achteruit.
‘Hier is ze,’ mijn grootmoeder steekt haar hand naar voren met daarin de kippenkop. De snavel staat wijd open. ‘Mooi kopje toch? Toe, houd maar vast. Ze pikt niet meer, ’ en ze streelt met haar wijsvinger over het kopje.
Ik doe nog een pas achteruit.
‘Durf je niet?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Het was zo’n lief kipje. Ze draaide altijd even om mijn benen als ik het voer in de bak schudde,’ ze trekt haar arm terug, sluit de oogjes en staat op. Daar gaat ze. Schuur uit, keuken in. Kop en kip in haar warme armen. In de avond stopt ze me onder de wol, streelt liefkozend mijn haren, kust mijn voorhoofd en fluistert in mijn oor: ‘Morgen, kippensoep.’ De volgende dag eet ik niets. Ik zie alleen maar ontelbare kippenkoppen in de soep drijven die allen hun snavels op en neer laten gaan zoekend naar haar warme handen.
Kale kip op het aanrecht. Zwarte kraaloogjes die mij afwachtend aanstaarden. De snavel open. De klauwen stijf. Niet te lang wachten. Ik stond op, spoelde mijn handen onder stromend water, sloot de oogjes en legde de kip op de snijplank. Daar hakte ik met een groot keukenmes de kop eraf. Het bloed stroomde niet meer. Ik nam kip en kop in mijn handen. Het was koud en nat. Grote pan met water. Kippenkop erin. Dan het lijf met het witte kippenvel. Ik aarzelde nog even maar sneed toch de buik open en haalde de ingewanden eruit. Ik bestrooide haar met wat zout en peper en nam de braadpan uit de kast. Boter in de pan. Eerst nog de klauwtjes eraf. Die kunnen bij de kop.
‘Het is soep van kop en klauwtjes. Dat lust je wel.’
Ik schud mijn hoofd.
‘Ach toe, probeer een beetje. Een klein beetje soep. De kip pikt je niet,’ en ze lacht zachtjes.
Ik schud opnieuw mijn hoofd.
‘Toe maar, een klein beetje om te proeven,’ en ze zweeft met de soeplepel voor mijn neus.
Ik houd mijn lippen stijf op elkaar en schud mijn hoofd.
Ze lacht nogmaals en zet dan haar eigen bord bij de pan.
‘Ik neem wel.’
Mijn grootmoeder schept haar hele bord vol met heldere kippenbouillon. Ze slurpt de soep smaakvol naar binnen. Ik kijk toe en zie hoe bij haar lippen spartelende kippenpootjes vanuit haar mond naar buiten willen rennen, terug naar de kippenren, terug naar de kip met kop en veren.
De soep op het vuur. De kip in de braadpan. Ik op de keukenstoel.
Ik was tien jaar toen ik een donzen kussen kreeg van mijn grootmoeder. Een groot donzen kussen in een rode hoes.
‘Van de kippen die je niet eet,’ zei ze met een glimlach en kuste mijn wang.
De volgende dag sneed ik het kussen met mijn zakmes open. Achter het huis bij de kippenren gooide ik alle veren de lucht in. Ze dwarrelden om me heen en lieten een bruinwitte deken achter. Ik heb de veren net zo lang in de lucht laten vliegen totdat ze niet meer tot een berg dons terug te herleiden waren en je zou kunnen denken dat een kat twee kippen gevangen had. Het ligt stil. Het verroert zich niet. Het is aan mij. Bruin glanzend kippenvel om het witte kippenvlees. Zij zou als ze tegenover me gezeten had, glimlachend naar me hebben geknikt en hebben gezegd: ‘Toe probeer het dan. Deze kip is echt de moeite waard. Hij pikte me nog even in de hand voordat ik zijn kop afsneed.’
Mes en vork ter hand nemen. Lippen alvast een beetje openen.
Gevulde kip met druiven, kipfilet met boontjes, kippenborst met tomaten, gestoofde kip in witte wijn, kippenpootjes gemarineerd met thijm, kip op brood.. iedere avond bij het naar bed gaan kreeg ik te horen wat mij de volgende dag te wachten stond. ‘Er is hier nog nooit iemand de deur uit gegaan zonder kippenvlees,’ ze lachte maar dwong me met haar ogen, zachte ogen die mij verlangend aankeken, die iedere keer weer hoopten dat ik mes en vork op zou pakken en haar kip zou snijden, een aai over mijn haren, nachtkus op mijn voorhoofd, en dan fluisterend in mijn oor:
‘Morgen, toch?’
Een varken eet ik met smaak op. Een konijn kluif ik kaal van de botjes. Als het moet slacht ik zelfs een konijn. Zijn achterpoten in de lucht en dan met vlakke hand in de nek een ferme klap uitdelen. Zijn nek breekt en het konijn kan, alsof het in een diepe slaap verzonken is, gevild worden. Maar als ze mij verteld had dat ik later een dode kip zou kopen en haar zou bereiden zoals zij het voorschrijft zou ik haar in haar gezicht hebben uitgelachen. Nu is zij het die mij uitlacht. Als de doden tenminste de levenden kunnen zien. Maar ook al heb ik de kip bereid, ik heb haar nog niet in mijn mond gebracht.
Ik als toeschouwer aan tafel. Ik kijk toe hoe zij haar kip eet. Hoe zij het bruine vel doorsnijdt, het witte vlees ontbloot en zowel vel als vlees aan de vork rijgt. ‘Waarom eet je haar in godsnaam niet?’ sist ze me eenmaal toe als ik opnieuw met stijf op elkaar geperste lippen aan tafel zit en zij met haar vork voor mijn mond zweeft. Ik haal zwijgend mijn schouders op.
Het ligt stil en doet niets. Mes en vork omhoog brengen, lippen nog wat verder openen en dan de vork richting vlees.
Als ik na twee weken logeren wegga, lopen er kuikens in de ren. Ik sta met mijn koffer bij de buitendeur te wachten als mijn moeder het erf oprijdt. Ik zwaai niet als ze de auto uitstapt. Mijn grootmoeder legt een hand op mijn hoofd en duwt mij zachtjes naar voren.
‘En?’ vraagt mijn moeder.
Mijn grootmoeder schudt langzaam haar hoofd: ‘Nee.’
Het is aan mij. Ik steek de vork in het vlees, breng mijn mes naar het vlees en snijd langzaam een stukje vlees af. Het sap druipt op mijn bord. Het vlees is mooi wit. Mals en gaar. Ik breng de vork naar mijn mond. Ik kijk nog even naar het sappige witte vlees en sluit dan mijn ogen. Kaken uiteenbrengen, tanden van elkaar. De vork naar voren. Toe dan, toe maar, ik heb de mooiste voor je uitgekozen. Alleen bij mij krijg je het zo mals en gaar. Kauw maar zachtjes. Bedenk hoe mals het is onder die veren. Hoe het gerijpt heeft. Hoe het in de pan gelegen heeft. Of vergeet. Vergeet de tokkende kip en de kriebelende snavel. Mond sluiten. Kauwen. Denk aan een gebraden konijn. Een varkenshaasje. Desnoods aan appeltaart. Open die mond. Eet! Je kan het niet maken dit te laten staan. Ach, dan zoek je het zelf maar uit. Ik stuur je naar je grootmoeder. Zij zal het je leren. En? Nee. En? Nee. Ik geef het op. Waarom dan niet? Vertel me, wat is er mis met deze kip? Wil je een andere? Je kan de bouillon toch drinken? Dan laat je de stukjes vlees liggen. Toe maar. Morgen. Toch? Morgen. Toch? Het sap op mijn tong. Kauwen. Nee. Ja. Kauw! En dan, net als ik mijn tanden in het vlees wil zetten, zie ik honderden kippen wild fladderen, de kraaloogjes schitteren, de poten klauwen in het gras, de kopjes schudden en tokken en de veren overal veren, overal waar ik maar kijken kan, vallen veren uit de lucht en bedekken de grond met een dikke laag dons. Terug! Vork op tafel. Vlees op het bord. Ik sta op, loop naar de buitendeur en werp het stuk gebraden kippenvlees de lucht in. Vliegen. Vliegen zal ze!

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site wordt beschermd door reCAPTCHA en GooglePrivacy PolicyenServicevoorwaarden toepassen.